Buitengoor-Meergoor, gelegen in de provincie Antwerpen op de (noord) westelijke flank van het Kempisch Plateau, beslaat een oppervlakte van 75 ha. Het gebied ligt op het grondgebied van de gemeente Mol (ten oosten van het centrum), tussen de gehuchten Mol-Sluis en Mol-Rauw. Het gebied is begrensd door het Provinciaal domein Zilvermeer in het noorden, het Zilverstrand in het zuiden, het kanaal Dessel-Kwaadmechelen in het westen en de rijksweg Balen-Postel in het oosten. De belangrijkste verkeerswegen in de buurt van Buitengoor-Meergoor zijn de gewestweg N17 Mol- Lommel (Zuiderring) in het zuiden en de weg Balen-Postel ten oosten van het gebied.
De oorsprong en de ontwikkeling van het Buitengoor-Meergoor zijn eng verbonden met de geschiedenis van Sluis, één van de oudste gehuchten van de gemeente Mol. Naar alle waarschijnlijkheid ontstond Sluis in de 12e-13e eeuw, toen een landbouwgemeenschap tot ontwikkeling kwam langs de natte beekgronden van de Vleminksloop. Op initiatief van de in 1141 gestichte abdij van Postel werd toen op de Vleminksloop een bescheiden stuw met toch wel belangrijke impact gebouwd.
Hierdoor ontstond stroomopwaarts het ‘Postels Meir’, het huidige Sluismeer, terwijl stroomafwaarts de waterstand kon geregeld worden, waardoor de inwijkelingen beter beschermd waren tegen plotse wateroverlast. De ingreep was zo voordelig dat de landbouwers hun wijk de naam ‘Sluys’ toekenden. Na de afdamming kon de landbouwgemeenschap van Sluis er een gemengd landbouwbedrijf uitbaten.
De voor de landbouw meest geschikte plaatsen waren destijds te vinden op de overgangen tussen de natte depressies met elzenbroek en de met eiken-berkenbos begroeide zandruggen. Het eikenbos leverde hout op of werd afgebrand om plaats te maken voor heide waarop schapen graasden en waar strooisel werd vergaard, dat langs de potstal om op de zandige akkers terecht kwam. Ook het elzenbos in de dalen werd snel vervangen door een halfnatuurlijke vegetatie van door houtkanten omgeven beemden die strooisel, plaggen voor haard en stal, russen als dakbedekking en wintervoedsel voor het vee opleverden. In tegenstelling tot de heide die gemeenschapsbezit was, had iedere landbouwer zijn eigen beemden te onderhouden. Het waren lange, smalle, met slootjes omgeven percelen, zelden groter dan 50 are en loodrecht op de beek georiënteerd met het oog op een vlotte afwatering. Om gemakkelijk het laagste punt van het dal te bereiken werd dikwijls een walletje doorheen het weiland opgeworpen. Het dichte net van slootjes en restanten van deze walletjes is nog overal in het Buitengoor-Meergoor te herkennen. Deze heideveebedrijven bleven bestaan tot bij de invoering van de kunstmeststoffen in de eerste helft van de 20st eeuw.
Het Meergoor, het dichtste bij Sluis gelegen, was meer ontgonnen dan het verder gelegen Buitengoor. Dit laaste bleef waarschijnlijk tot 1830 weinig ontgonnen gemeente- en dus gemeenschapsgrond. Dit is af te leiden uit het feit dat in 1811 dit gebied, op het er nu voorkomende elzenbos na, nog niet in percelen was opgedeeld en omdat het toen aangeduid werd als ‘gemeene goor’. Het gebied Buitengoor-Meergoor wordt op de kaart aangeduid als ‘onbegaanbaar moeras’.
De namen van het gebied zeggen iets over de aard ervan. Naast de termen ‘buiten’ (‘ het verst van de hoeve verwijderd’) komt meermaals de term ‘mer’ of ‘meer’ voor wat op de vroegere aanwezigheid van plassen wijst. Soms bevatten ze een kwalificatie als ‘goor’ wat moeras, slijk, laagland, enz. betekent.
Medio de negentiende eeuw werd gestart met eerder drastische ingrepen in het omliggende landschap. De eerste kanalen werden aangelegd, samen met bevloeiingssystemen op de hoger gelegen gronden. Om de productie van de landbouw te verhogen, werden in de Kempen irrigatiewerken uitgevoerd. De afwateringssloot die de oostelijke grens van het Buitengoor vormt, is een onderdeel van dit irrigatiesysteem.
Door de aanleg van de kanalen ontdekte men onder de laag niveo-eolische dekzanden de zogenaamde witte zanden van Mol met een kwartsgehalte van meer dan 99%. Langsheen het Kempisch Kanaal en het Kanaal Dessel-Kwaadmechelen werd dit zand reeds vroeg geëxploiteerd waardoor op verschillende plaatsen zandputten ontstonden. Deze hebben waarschijnlijk ook hun invloed op de waterhuishouding van het hier voorgestelde landschap.
Schatkamer van planten
Het centrale deel van het Buitengoor is een slenken-bultenmoeras, bestaande uit pollen van pijpestrootje met daartussen diepere slenken waarin het water boven het maaiveld staat. Verspreid in dit veenlandschap groeien prachtige dennen en berken met daartussen heerlijk geurende gagelstruiken, de ‘lavendel van de Kempen’.
Je vindt hier zeldzame planten als alpen- en draadrus, galigaan, een hele reeks zeggesoorten, klein en plat blaasjeskruid en breedbladig en slank wollegras. Typisch zijn ook beenbreek, moeraswolfsklauw, kleine en ronde zonnedauw, waterdrieblad, veenpluis, en gevlekte orchis. In de zomermaanden bloeien hier prachtige klokjesgentianen.
Het oostelijk deelgebied Buitengoor en het westelijk deelgebied Meergoor, beide landschappen met een venig en open karakter, zijn met elkaar verbonden door een langgerekt elzenbroekbos. De Vleminksloop slingert zich er speels doorheen.
Een moeras vol dieren
Boven vennen en heide fladderen kleurrijke libellen, waaronder bijzondere soorten als de Kempische heidelibel en de bandheidelibel. Onder de vlinders is zeker het groentje het vermelden waard. Waterral, houtsnip en blauwborst zijn trouwe broedvogels. Naast de groene en de bruine kikker is ook de zeldzame heikikker een vaste waarde. Het Buitengoor herbergt eveneens een gezonde populatie reeën.
Zuur water, dat uit de bodem opwelt, en kalkrijk water, dat langs grachten uit de kanalen aangevoerd wordt, stromen in het reservaat samen en mengen. Dat samenspel is de bron van leven van de bijzondere planten- en dierenwereld. Maar het evenwicht tussen zuur en kalkrijk is heel delicaat en moeilijk in de hand te houden. Soms stroomde kalkrijk water over naar plaatsen waar het niet thuis hoort. In een mum van tijd groeit op zo een plek een wildernis aan brandnetels en basenminnende planten.
Natuurinrichtingswerken hebben daar een mouw aan gepast door het waterpeil beter te regelen. Stuwtjes werden hersteld of nieuw geplaatst en dijken werden verhoogd waar nodig. Aan de ingang van het Zilvermeer is er een nieuw waterverdeelpunt.
Om de Rosse Put terug een venkarakter te geen werd de toevoer van kanaalwater (afkomstig van de aangrenzende vijver op het Zilvermeer) beperkt. Via regelbare stuwtjes op de toevoer naar en de afvoer van de Rosse Put, werd het mogelijk het watertype van de put meer te sturen.
In het zuidoosten van het Meergoor bevond zich een oud irrigatiesysteem. Via het plaatsen van twee kleine regelbare stuwtjes en aanbrengen van grachtjes werd dit systeem terug hersteld en kunnen de blauwgraslanden zich hier weer ontwikkelen.
In de Kempen is er gelukkig nog veel dennenbos voorhanden. Met de heide en het moeras is het veel minder goed gesteld. Hier en daar resten nog wat kleine eilandjes, zoals in Buitengoor – Meergoor, maar ook die worden kleiner en kleiner. Ze groeien dicht met snel opschietende struiken en bomen. Die laten geen licht en ruimte voor de zeldzame heide- en moerasplanten.
De natuurinrichtingswerken en het beheer zijn er op gericht dit te voorkomen. Het dennenbestand wordt gekapt of uitgedund. Op sommige plaatsen wordt er geplagd (voedselrijke bovenste laag wordt weggehaald), op andere plaatsen wordt er nog dieper afgraven tot op het witte zand. Door te maaien en te begrazen worden opschietende struiken en grassen in de kiem gesmoord.
Plaatselijk werden de oevers voorzien van flauwe oeverhellingen.
De bochten van de Vleminksloop werden vernatuurlijkt.
Inrichting ten behoeve van de fauna
De inrichting is er op gericht de verschillende migratiebarrières aan te pakken.
De oevers van de aanwezige waterplassen worden afgeschuind wat ze natuurvriendelijker maakt. Amfibieën kunnen er zich gemakkelijker voortplanten en typische oeverplanten krijgen meer groeikansen.
Aan de laatste brug over de Vleminksloop was er een hoogteverschil dat vissen niet konden nemen en waardoor ze niet verder stroomopwaarts konden trekken. Het aanbrengen van grind in de bedding vlakte het hoogteverschil uit.
Plaatsen van wildspiegels ter hoogte van de Postelse Steenweg en aanpassen van ree-uitstapplaatsen bij het kanaal Kwaadmechelen – Dessel.
De Molse Nete is de belangrijkste zijrivier van de Grote Nete. Haar bovenloop is gesitueerd op de grens tussen Mol en Balen, op het grondgebied van de gehuchten Wezel (Mol en Balen), Rijsbergdijk-Driehuizen (Balen), Gompel (Mol) en Langvennen (Balen). Vanaf Gompel/Langvennen stroomt de Molse Nete verder via Mol-centrum naar Mol-Ginderbroek en Mol-Ezaart, en tenslotte naar Geel, waar ze uitmondt in de Grote Nete. Op Geels grondgebied stroomt de Molse Nete eerst door het prachtige natuurgebied Zelguis en vervolgens langs de noordkant van het Malesbroek, beide aankoopgebieden van Natuurpunt.
Omwille van enerzijds de hoge ecologische en landschappelijke waarde van de Molse Netevallei en anderzijds de behoefte aan een aangepast natuurbeheer, besloot Natuurpunt in 1996 een aankoopproject te starten in het gebied. De perimeter waarbinnen de terreinaankopen gebeuren, is weergegeven op de kaart. Op dit ogenblik is ruim 70 hectare waardevolle natuur aangekocht. Het grootste deel daarvan is al officieel erkend als natuurreservaat. De beheerde percelen zijn aangeduid op de kaart.
Het landschap van de Molse Netevallei is momenteel een uitgesproken kleinschalig cultuurlandschap met een hoge densiteit aan kleine landschapselementen: houtkanten, alleenstaande bomen, veedrinkpoelen, beekjes en grachten, wegbermen...
In het gebied vinden we honderden kleine percelen die gebruikt worden als hooiland of weiland. De laatste jaren blijven echter steeds meer percelen braak liggen. Daarnaast treffen we verspreid in het gebied ook loofbosjes, wilgenstruweel, rietland, elzenbroekbossen en tal van vijvers aan. Een deel van de kunstmatig gegraven vijvers ligt er inmiddels verlaten bij.
De tendens naar braakligging is in eerste instantie gunstig voor het natuurbehoud, omdat er in feite een spontane natuurontwikkeling kan optreden. Wanneer dit fenomeen zich op grote schaal en op langere termijn doorzet, zal het open cultuurlandschap evolueren naar een uitgestrekt loof- en broekbos.
De uitdaging voor het natuurbeheer bestaat erin om de huidige biodiversiteit te behouden en tegelijk de belangrijkste potentiële natuurwaarden alle kansen te geven. Op lange termijn biedt integrale begrazing met een combinatie van runderen en paarden de beste garanties om dat doel te realiseren. Zolang Natuurpunt slechts verspreide percelen en begrazingsblokken in de vallei beheert, is integrale begrazing echter niet mogelijk en zal hier en daar mechanisch beheer nodig blijven. Onze eindvisie is een Molse Netevallei met een open parkachtig karakter waarin grote partijen riet en wilgenstruweel het landschap kenmerken.
Het landgebruik en de natuurwaarden in het beekdal zijn zeer divers. Verspreid liggen biologisch waardevolle tot zeer waardevolle complexen: wilgenstruweel, waardevol elzenbroek, vochtige dotterbloemgraslanden en ruigten, overgangen naar drogere zandruggen, etc.
Op de hooilanden en in greppels treffen we dotterbloemen, pinksterbloemen, echte koekoeksbloemen, bosbies, holpijp en waterdrieblad aan, kenmerkende soorten voor zeldzaam wordende biotopen.
Onder de vogels springen vooral prooivogels als sperwer, torenvalk, buizerd en bosuil in het oog, naast een ganse reeks kleinere zangvogels. Vermeldenswaard zijn ook ijsvogel en waterral. De blauwe reiger is een regelmatige gast overal langs de Molse Nete; langs de bovenloop wordt sporadisch ook de grote zilverreiger waargenomen.
In de groep van amfibieën en reptielen noteren we de gewone pad, de bruine en de groene kikker, een onbekend aantal salamandersoorten en de levendbarende hagedis.
De zoogdieren zijn vertegenwoordigd door onder meer de vos, bunzing, hermelijn en wezel. Uiteraard vind je hier ook egels, eekhoorns (in de drogere bossen op de valleiflank) en reeën.
De vallei van de Molse Nete is niet alleen ecologisch maar ook landschappelijk en cultuurhistorisch bijzonder waardevol. Kleinschalige cultuurlandschappen van deze omvang worden immers steeds schaarser.
Langs de Molse Nete in Mol-centrum vinden we ook het Wolhuisje en de oude Watermolen, belangrijke elementen uit ons erfgoed.
De vallei van de Molse Nete is een snoer van groene deelgebieden. Elk deelgebied is anders, en stuk voor stuk zijn de deelgebieden erg waardevol.
Ter hoogte van Wezel stroomt de Molse Nete vanuit Limburg (Lommel) de provincie Antwerpen binnen. De Molse Nete – hier ook gekend als de Wezelhoevenloop - is op deze plaats slechts een bescheiden riviertje van maximaal 3 meter breed. In Wezel is de vallei nog erg weids en open; op heel wat plaatsen wordt er nog geboerd tot op de oevers van de beek. De eigendommen van Natuurpunt situeren zich in hoofdzaak dicht bij de beek. Het grootste blok in eigendom is gelegen in een moerassige zone even stroomopwaarts van Rijsbergdijk (baan Balen-Postel). Natuurpunt beheert hier een groot rietland en moerasbossen in nauwe samenwerking met Buurtwerk Wezel. Buurtwerk is al jaren trouwe partner in het project en droeg al méér dan één steentje bij voor de financiering van de aankopen.
De Molse Nete heeft een behoorlijke waterkwaliteit, al dient daar meteen aan toegevoegd dat het slib in de beekbodem ernstig vervuild is door zware metalen, afkomstig van stroomopwaarts gelegen bedrijven, in het bijzonder de voorlopers van Umicore (Vieille Montagne). Dat probleem beperkt zich niet tot Wezel, maar geldt voor de hele loop van deze prachtige rivier.
Voorbij Rijsbergdijk wordt de vallei wat breder. Zowel langs de noord- als langs de zuidkant wordt ze begeleid door drogere duinruggen. Waar die duinruggen niet bebouwd zijn, vinden we bossen van hoofdzakelijk grove den. De vallei zelf is een mozaïek van weilanden, hooilanden, wilgenstruweel, elzenbroekbossen, rietland, populierenbossen en talloze vijvers met illegale bouwsels erbij. De Molse Nete slingert zich er speels meanderend tussendoor. Hier is de rivier nooit rechtgetrokken, en dat willen we graag zo houden!
Vooral aan de noordkant van de beek heeft Natuurpunt al enkele grotere blokken natuurgebied in beheer. Het grootste ligt in de moerassige laagte achter de voetbalterreinen van GSK ’70 (achter het oude casino van Mol-Gompel, op Balens grondgebied). Binnen het begrazingsraster van x ha worden runderen en/of paarden ingezet om het natuurbeheer te verzorgen: IJslandse paarden of Blonde d’ Aquitaine-runderen, afhankelijk van de beschikbaarheid van vee. Op alle percelen van Natuurpunt in de Molse Netevallei grazen dieren van privé-personen; er is ruime interesse om samen te werken en het aanbod van grote grazers overstijgt soms onze vraag.
Aan diezelfde noordzijde wordt ook samengewerkt met de Stichting Kempens Landschap, die enige jaren geleden bijna 10 ha gronden van Glaverbel kon aankopen. Daaronder ook de oude, inmiddels afgewerkte stortsite van Glaverbel, die voortaan door Natuurpunt zal beheerd worden. De naastliggende elzenbroeken en hooilanden aan de oostkant van het stort, eveneens door de Stichting gekocht van Glaverbel, sluiten inmiddels aan op nieuwe eigendommen van Natuurpunt. Integrale begrazing – het uiteindelijke einddoel in het beheer - komt daardoor weer een stapje dichterbij.
De trots van Natuurpunt in dit deelgebied is het aaneengesloten blok van bijna 10 ha tussen de Kapellekensdreef en de Molse Nete in Mol-Gompel. In 1996, meteen na de start van het aankoopproject, in één keer gekocht van een bouwonderneming in vereffening... Het gewestplan is hier deels niet groen maar oranje gekleurd; het gebied was voorbestemd als gebied voor dagrecreatie (voetbalveld, tennishal,...) maar bleek te laag gelegen om die bestemming ook werkelijk te kunnen invullen. Zo kreeg het toch zijn enige juiste bestemming.
De dynamiek rond de aankoop van ‘De Langvennen’ ontstond destijds na een inspirerende babbel tussen Natuurpunt en De Gagel. De twee verenigingen sloegen de handen in elkaar om het gebied aan te kopen en te beheren, en die dynamiek is er bijna 10 jaar later nog steeds. Het beheerteam van ‘De Langvennen’, aangevoerd door conservator Guy Hannes, verzet hier bergen, vooral bergen hooi.
Het project rond ‘De Langvennen’ wordt gedragen door de hele gemeenschap van Mol-Gompel: elk jaar is er de eerste zondag van mei een ochtendwandeling in samenwerking met de KWB, de school neemt deel aan beheerwerken en bezoekt het gebied regelmatig, de omwonenden werden betrokken bij het opruimen van kruinhout van gekapte populieren, bij de officiële inhuldiging werd een groot straatfeest met koe-schijt-wedstrijd georganiseerd, etc.
Tussen de Zuiderring en de Borgerhoutsendijk (baan van Mol naar Meerhout) plakt de Molse Netevallei tegen Mol-centrum aan. Vanaf hier loopt de Molse Nete enkel nog op Mols grondgebied. De overwegend groene Netevallei is hier smaller, geprangd tussen Mol-centrum en de ring. Ze wordt hier en daar diep gepenetreerd door straten die vanuit Mol-centrum recht de vallei in lopen. De natuur betaalt hier eigenlijk de rekening voor de gebrekkige ruimtelijke planning van weleer: grote delen van de toch wel natte vallei zijn hier bestemd tot woongebied. De uitvoering van een doordacht waterbeleid voor de Molse Nete wordt daardoor een stuk moeilijker.
In dit deel van de vallei zijn ook de belangrijkste samenvloeiingen gesitueerd. Achter de Rozenberg vloeit de Scheppelijke Nete, de noordelijke zijtak van de Molse Nete, in de hoofdrivier. En een eind verderop, achter het zwembad ‘Den Uyt’, komt de Oude Nete langs de zuidkant in de Molse uit.
Landbouw is in dit deel van de vallei zo goed als afwezig. Waar niet gebouwd is, domineren populierenbossen of moerasbossen van wilg en zwarte els. Hier en daar ook moestuintjes en vijvers met tuinhuisjes of weekendverblijven. De mooiste brok natuur in dit deelgebied ligt tussen het Molse sportcomplex ‘Den Uyt’ en de ring. Het verharde ‘heipaadje’ loopt er temidden van haast ondoordringbare moerasbossen.
Het laatste stuk van de Molse Netevallei wordt begrensd door de weg van Mol naar Ezaart in het noorden en de Molse zuiderring in het zuiden. Hier, iets verder weg van Mol-centrum, krijgt de Molse Nete weer volop de ruimte om te meanderen, en die kans grijpt de rivier met beide oevers! Voor prachtige haarspeldbochten met holle en bolle oevers moet je in Ezaart zijn. Het landschap is hier opnieuw erg gevarieerd: hooilanden, weilanden, populierenbossen, elzenbroek, rietland en wilgenstruweel wisselen elkaar af, en ja hoor, ook de vijvers met weekendhuisjes zijn weer van de partij.
In de winter doet de breder wordende Molse Nete hier dienst als pleisterplaats voor grotere aantallen wintertalingen, kleine eendjes die de rust van dit natuurgebied opzoeken en daarmee ook ontsnappen aan de watervogeltellingen van Natuurpunt. Dit is ook het leefgebied van de ijsvogel, én dat van conservator Luc, die instaat voor de coördinatie van het natuurbeheer in dit deel van de vallei.
Het gedeelte van de Molse Netevallei dat begrepen is tussen het kanaal Dessel-Kwaadmechelen en de Borgerhoutsendijk (baan Mol-Meerhout) is hoofdzakelijk groen ingekleurd op het gewestplan. De Vlaamse Landmaatschappij en de afdeling Natuur van de Vlaamse overheid hebben de intentie om in deze zone een natuurinrichtingsproject uit te voeren. Concrete maatregelen zijn nog niet meteen voor morgen, maar ter voorbereiding van het natuurinrichtingsproject is wel al het ‘voorkooprecht natuur’ van kracht. Dat moet de overheid in staat stellen om belangrijke percelen zelf in eigendom te verwerven.
Eén van de aandachtspunten bij het beheer van de Molse Netevallei door Natuurpunt is het vergroten van de toegankelijkheid van het gebied. De langgerekte Netevallei wordt doorsneden door verschillende secundaire wegen, door de expresweg Mol-Lommel én door de spoorlijn Mol-Hasselt. Voor het overige lopen in het gebied talrijke karresporen en paden, doch de meeste van die niet-verharde wegen zijn doodlopend. Daardoor zijn niet alle deelgebieden even geschikt voor het uitstippelen van een rustige rondwandeling.
Het deelgebied tussen Rijsbergdijk en het kanaal Dessel-Kwaadmechelen is samen met de zone tussen het kanaal en de Zuiderring het best toegankelijk. Je kan er wandelen op alle paden met een openbaar karakter. Bij elke nieuwe terreinaankoop door Natuurpunt komt de realisatie van een echt wandelpad in deze deelgebieden weer een stukje dichterbij. Zodra de kans zich voordoet, zullen we ook in de vallei van de Molse Nete ons motto 'Natuur voor Iedereen' in de praktijk brengen.
De Maat was oorspronkelijk een schraal heidegebied dat deel uitmaakte van de 'Groote Heide' rond Mol-Rauw. Dat heidelandschap strekte zich noordwaarts uit tot voorbij Postel en de huidige Nederlandse grens. De Kempische heidegrond is van nature zuur en arm aan voedingsstoffen.
Omstreeks 1846 werd van west naar oost doorheen dit landschap het kanaal Herentals-Bocholt aangelegd. Het Kempisch kanaal of Maas-Schelde-kanaal, zoals het ook genoemd wordt, voert mineralenrijk en voedselrijk Maaswater aan. Ter hoogte van De Maat vertoont de flank van het Kempisch plateau een verval van ongeveer 12 meter in westwaartse richting. Via drie oude sluizen - toepasselijk sas 1, 2 en 3 genoemd - wordt dit niveauverschil overbrugd.
Na de aanleg van het kanaal werd het landschap van De Maat grondig gewijzigd. Grote oppervlakken werden ingericht als 'watering'. De heidegrond werd bevloeid met voedselrijk kanaalwater om de productiviteit van de bodem te verhogen. De heide werd langzaam maar zeker omgevormd tot hooiland. Het hooi dat hier gewonnen werd, deed dienst als voedsel voor paarden, in die tijd de voornaamste krachtbron. Het militair kamp in Leopoldsburg was de grootste afnemer. Het hooi werd op platte schuiten geladen, die vanop de 'jaagpaden' op de kanaaloevers werden getrokken door paarden. Via 'de Blauwe kei' - de omgeving van sas 1 - en het kanaal van Beverlo bereikte het hooi de stallen van het leger.
Naarmate paarden vervangen werden door machines, raakte de hooiwinning in verval. Na wereldoorlog I werden overal op de wateringen populieren aangeplant.
Tijdens wereldoorlog II werd in De Maat 'spriet' - een soort bruinkool - ontgonnen als noodbrandstof. Diverse 'sprietputten', doorgaans van geringe diepte, bleven achter als getuigen.
Restanten van de wateringen, de populieraanplanten en de sprietputten bepalen momenteel het uitzicht van De Maat. Het landschap bestaat uit een mozaïek van hooilanden, loofbossen, droge en vochtige heide, moerasbossen, vennen en ondiepe vijvers met brede rietkragen.
Het terrein, 145 ha groot, is eigendom van de gemeente Mol en wordt beheerd door de diensten van het gemeentebestuur. Natuurpunt verzorgt de toegankelijkheid en de wandelingen met natuurgids.
De Maat is aangeduid als Europees Vogelrichtlijngebied én Europees Habitatrichtlijngebied. De volledige oppervlakte is officieel erkend als natuurreservaat.
Naast algemene broedvogels en overwinteraars hebben ook zeldzamere soorten als ijsvogel, blauwborst, wespendief en havik hier hun vaste stek. Af en toe kan je een zeer zeldzame gast aantreffen, zoals een visarend op najaarstrek.
Verder herbergt De Maat de rijkste libellenfauna van Vlaanderen. Ruim 40 soorten kan je er aantreffen, waaronder zeldzame uitschieters als de bandheidelibel, de Kempische heidelibel en de gewone bronlibel.
Tijdens zwoele voorjaarsavonden kan je hier luisteren naar prachtige concerten van roepende rugstreeppadden. In de groep van amfibieën en reptielen vermelden we verder de hazelworm, heikikker en 3 soorten salamanders.
De flora is al even indrukwekkend. Typisch Kempische planten als moeraswolfsklauw, zonnedauw en blaasjeskruid komen hier voor naast de kalkminnende bewoners van de wateringen, waaronder sleutelbloem, herfsttijloos en vrouwenmantel.
In de deelgebieden De Maat en Klein Verkallen lopen enkele Noorse fjordenpaarden en Schotse hooglandrunderen vrij rond. Door hun graasgedrag houden deze imposante dieren een gevarieerd landschap in stand. In het westelijk heideterrein staan Kempische heideschapen in voor het natuurbeheer.
Gedurende eeuwen behoorde het natuurgebied Den Diel – de Maat tot de onontgonnen woeste gronden. Midden 19e eeuw komt de grote ommekeer. Na de Belgische onafhankelijkheid wou de Staat deze gebieden rijp maken voor ontginning om ze dan te kunnen verkopen aan particulieren. In dezelfde periode werden de Kempische kanalen aangelegd. De belangrijke Maas – Schelde verbinding werd gegraven tussen 1843 – 1860. Dit kanaal speelde niet alleen een belangrijke rol bij het goederen transport maar het water werd ook afgetapt om de dorre heidegronden te bevloeien en zo vruchtbaar te maken. De wateringen werden aangelegd door privé-investeerders en zij lieten grote hoeveelheden stadsmest aanvoeren om de vruchtbaarheid nog te vergroten. Het hooi dat hier gewonnen werd was in die periode de brandstof voor het transportmiddel bij uitstek ‘het paard’ en daarom economisch gezien enorm belangrijk. Na W.O.I verandert het uitzicht van de wateringen opnieuw. Door de opkomst van het gemotoriseerde transport raakt de paardenkracht in onbruik en begint men met de grootschalige aanplanting van populieren als productiehout.
In de arme heidebodem waren natuurlijke energiebronnen, turf en prits, aanwezig die de plaatselijke bevolking voor eigen gebruik ontgon. Deze ‘prits’, de oude benaming voor spriet, was in rijke lagen aanwezig in het gebied van de Maat en den Diel. Toen tijdens W.O.II er een brandstofschaarste ontstond, begon de gemeente Mol deze brandstof op industriële schaal te ontginnen. De spriet of ligniet werd aan de steden verkocht. De hinderlijke rookgeur nam men er blijkbaar zonder problemen bij.
Na de oorlog viel de ontginning stil. De ondiepe waterplassen werden oases waar de natuur jarenlang zijn vrije gang kon gaan. Enkele kregen later een nieuwe bestemming als gemeentelijke visvijvers, andere werden gebruikt als stortplaats maar zijn nu afgedekt en omgevormd tot heidegebied. Gelukkig wist men het uitzonderlijke landschap naar waarde te schatten en werd een groot gedeelte beschermd natuurgebied.
De sluiscomplexen zijn niet alleen interessant omwille van hun techniek maar ook omwille van de geschiedenis van de scheepvaart en al wat eromheen heeft gedraaid. Sas 3 behoort tot hetzelfde complex als sas 1 en 2. De constructie van het sas is identiek aan de sassen 1 en 2 met eveneens de hydraulische installatie anno 1933 van het merk 'Ateliers de construction Pepinster d' Ensival Acec, de machinekamer, de sluizen met hun houten geleiders of aanlegsteigers, de 19e eeuwse dienstwoning.
Opmerkelijk aan de sluiscomplexen is toch wel dat de oude sluizen daterende van tijdens de aanleg kanaal (1844-1846) en de vernieuwde sluizen van 1930 naast elkaar liggen. De vroegere dubbeltrapsluizen werden vervangen door 1 sluis met een te overbruggen hoogte van ongeveer 4,20m. De techniek tot het bedienen van de sluizen is enig in België. Dit Franse systeem wordt op geen enkel kanaal in België toegepast. Het op druk houden van de olieleidingen die dienen voor het openen en sluiten van de deuren en het water in - en uitlaten door middel van een groot met zand gevuld vat, is uniek. De machinekamer met toren die er moet voor zorgen dat deze zware ton naar omhoog wordt gestuwd, is indrukwekkend en een pareltje van industriële archeologie.