Het natuurgebied De Vennen situeert zich in het oosten van de gemeente Balen, tussen het gelijknamig gehucht De Vennen en de rijksweg Balen-Leopoldsburg. Aan de noordkant wordt het natuurgebied begrensd door de Most en de wijk Ongelberg, aan de zuidkant door de straat Schoorheide. Ter hoogte van De Vennen stroomt de Grote Nete vanuit Limburg (Lommel-Kerkhoven) de provincie Antwerpen binnen. De Grote Nete is op deze plaats slechts een bescheiden riviertje van ongeveer 3 meter breedte, met een nog natuurlijk meanderend verloop.
In het beekdallandschap van De Vennen stromen naast de Grote Nete nog twee andere beken, met name de Grote en de Kleine Hoofdgracht. Deze kunstmatig gegraven beken eigenlijk grachten - worden gekenmerkt door een uitzonderlijk goede waterkwaliteit. Ook de Grote Nete zelf is hier in haar bovenloop nog behoorlijk zuiver. Al dient daar meteen aan toegevoegd dat het slib in elke beekbodem ernstig vervuild is door zware metalen, afkomstig van stroomopwaarts gelegen bedrijven, in het bijzonder de voorlopers van Umicore (Vieille Montagne).
Het landschap van De Vennen is een uitgesproken kleinschalig cultuurlandschap met een hoge densiteit aan kleine landschapselementen: houtkanten, alleenstaande bomen, veedrinkpoelen, beekjes en grachten, wegbermen...
In het gebied vinden we honderden kleine percelen die gebruikt worden als hooiland of weiland. De laatste jaren blijven echter steeds meer percelen braak liggen. Daarnaast treffen we verspreid in het gebied ook loofbosjes, elzen broekbossen en tal van vijvers aan. Een deel van de kunstmatig gegraven vijvers ligt er inmiddels verlaten bij.
De tendens naar braakligging is in eerste instantie gunstig voor het natuurbehoud, omdat er in feite een spontane natuurontwikkeling kan optreden. Wanneer dit fenomeen zich echter op grote schaal en op langere termijn doorzet, dreigt het eeuwenoude open cultuurlandschap zijn eigenheid te verliezen omdat het hele gebied zal evolueren naar een uitgestrekt loof- en broekbos.
Omwille van enerzijds de hoge ecologische en landschappelijke waarde van De Vennen en anderzijds de behoefte aan een aangepast natuurbeheer, besloot Natuurpunt in 1996 een aankoopproject te starten in het gebied. De perimeter waarbinnen de terreinaankopen gebeuren, is weergegeven op de kaart. De totale oppervlakte binnen deze aankoopperimeter bedraagt 307 hectare; hiervan is op dit ogenblik bijna 70 hectare aangekocht door Natuurpunt. Ruim 57 ha is officieel erkend als natuurreservaat. De beheerde percelen zijn aangeduid op de kaart.
Het land gebruik en de natuurwaarden in het beekdal zijn zeer divers. Verspreid liggen biologisch waardevolle tot zeer waardevolle complexen: wilgenstruweel, waardevol elzenbroek, vochtige dotterbloemgraslanden en ruigten, overgangen naar drogere zandbruggen, etc.
Bijna over de ganse lengte van het natuurgebied is er zure, voedselarme kwel (opstijgend grondwater) aanwezig, wat potenties geeft aan die vegetatietypes die van het grondwater afhankelijk zijn. Een groot gedeelte van deze kwel wordt echter afgevangen, vooral door de Kleine Hoofdgracht.
Dat het natuurgebied De Vennen een hoge ecologische waarde heeft, mag blijken uit de fauna- en flora-elementen die je er aantreft.
In de zuivere watertjes van de Kleine en de Grote Hoofdgracht en de Grote Nete komen bijzondere visoorten voor zoals de serpeling en de hyperzeldzame beekprik. Deze naaldvormige zwemmer is op Europese schaal bedreigd en overal in Vlaanderen zo goed als verdwenen, maar in De Vennen kan je hem met enig geluk nog aantreffen. Uit een studie van het Instituut voor Bosbouw en Wild beheer (2002) blijkt dat in de Kleine Hoofdgracht, aan het meetpunt bij het verlaten van het natuurgebied, het grootste aantal vissoorten werd gevonden op een totaal van 11 meetpunten in de Kempen. Wegens het voorkomen van uiterst zeldzame vissen is de volledige oppervlakte van het natuurgebied De Vennen aangeduid als Europees Habitatrichtlijngebied.
Langs de oevers van de Grote Nete groeit de adderwortel. Op de hooilanden en in greppels treffen we dotterbloemen, pinksterbloemen, echte koekoeksbloemen, bosbies en holpijp aan, kenmerkende soorten voor zeldzaam wordende biotopen. Uit de inventarisatie van de beheerde percelen blijkt dat de zegges aan belang winnen. Op enkele plaatsen is de eerder zeldzame draadrus gevonden. In bepaalde elzenbroeken is de slangenwortel goed vertegenwoordigd.
Onder de vogels springen vooral prooivogels als sperwef, torenvalk en buizerd_in het oog, naast een ganse reeks kleinere zangvogels. Vermeldenswaard zijn ook ijsvogel en de waterral. Enkele jaren geleden werd er in de winter een roerdomp waargenomen. De blauwe reiger is een regelmatige gast in heel het gebied.
In het voorjaar zie je hier oranjetipjes, prachtige vlindertjes die voor hun voortplanting nood hebben aan pinksterbloemen (daarop worden de eitjes afgezet). Langs de Grote Nete pronken in de zomer tientallen prachtige weidebeekjuffers.
In de groep van amfibieën en reptielen noteren we de gewone pad, de bruine en de groene kikker, verscheidene salamandersoorten en de levendbarende hagedis.
De zoogdieren zijn vertegenwoordigd door onder meer de vos, steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel. Uiteraard vind je hier ook egels, eekhoorns (in de drogere bossen op de valleiflank) en andere algemeen voorkomende tepelbeestjes. Het gebied herbergt ook een een omvangrijke populatie reeën.
Vanuit De Vennen kunnen de grotere zoogdieren probleemloos migreren naar het noordoosten, naar het bos reservaat De Most (AMINAL, afdeling Bos & Groen) en verder naar De Keiheuvel, een landduinen landschap dat ook al gedeeltelijk door Natuurpunt beheerd wordt. In westelijke richting sluit De Vennen aan op het Vlaams natuurreservaat Scheps, beheerd door de afdeling Natuur van de Vlaamse overheid (AMINAL). Dat gebied sluit op zijn beurt aan op ons eigen aankoopproject Griesbroek in Olmen en Hulsen, gelegen aan de overkant van het kanaal Oessel-Kwaadmechelen. Via De Vloyen (Meerhout), het Bels Broek (Meerhout/Geel), het Malesbroek- De Hutten (Meerhout/Geel) en het Zammelsbroek (Geel) - allemaal aankoopprojecten van Natuurpunt - loopt het snoer van natuurgebieden langs de Grote Nete verder richting Westerlo.
In Balen ontwikkelt zich een prachtig groen lint langs de Grote Nete, van oost naar west door de gemeente. Die natuur komt de plaatselijke bevolking ten goede, maar is ook een flinke troef op toeristisch vlak.
De Vennen zijn niet alleen ecologisch maar ook landschappelijk en cultuurhistorisch bijzonder waardevol. Eeuwenoude kleinschalige cultuurlandschappen van deze omvang enkele honderden hectaren - zijn in Vlaanderen bijzonder zeldzaam. In de ruime omgeving zijn enkel de Broekbeemden in Mol-Sluis vergelijkbaar qua oppervlakte, densiteit van kleine landschapselementen en intactheid van het landschap.
In de omgeving van De Vennen vinden we ook de Topmolen, een oude watermolen van een zeldzaam type die geklasseerd werd als beschermd monument.
Het natuurgebied van de Vennen vertoont typische beekdalkarakteristieken. De Grote Nete is hier en daar wel gereguleerd (vooral rechttrekking en indijking). De Kleine Hoofdgracht is over zijn ganse lengte een gegraven gracht. Hierdoor zijn de de structuurkenmerken van beide beken slechts matig ontwikkeld en is de natuurlijke relatie tussen beek en beekdal vrijwel helemaal verbroken.
Vóór de recente brutale ruiming van de Grote Nete (door de provincie Antwerpen) was de structuur zich goed aan het herstellen; sinds die 'aanslag' moeten we vrijwel van voorafaan beginnen.
Hopelijk kunnen de structuurkenmerken van de waterlopen zich voortaan langzaam herstellen. Vooral de graad van meandering, het pool-riffle patroon (natuurlijk patroon van wisselende diepte, met stroomkuilen, dat voorkomt bij een natuurlijk meanderende waterloop) en de aanwezigheid van holle oevers zijn voor de ecosystemen van deze beken een must. Deze structuurkenmerken zijn uitermate belangrijk als we een grote biodiversiteit willen.
Het type van natuur dat we in De Vennen willen bereiken, is niet zo maar één natuurdoeltype, maar een hele reeks types met hun overgangstypes die in deze Kempisch beekvallei mogelijk zijn en stuk voor stuk zeldzaam aan het worden zijn. Veel van deze natuur hangt nauw samen met de hydrologische processen die er in De Vennen aanwezig zijn. De meeste van deze processen zijn in het verleden sterk door mensen beïnvloed. De beoogde 'verbetering' was zelden een verbetering voor de natuur. Het is onze bedoeling om deze maatregelen om te keren, zodaning dat de dynamiek van het Netewater opnieuw kan spelen en de nog talrijke aanwezig kwel niet afgevangen wordt door plaatselijke leigrachten maar terug zijn rol ten volle kan spelen. Dit is van uitermate groot belang willen we de strijd tegen vermesting, verzuring en verdroging winnen.
In De Vennen kunnen we al de beekbegeleidende types van natuur die er in de Kempen mogelijk zijn verkrijgen, onderhouden en versterken. Dit kan gaan van beekbegeleidende elzen broeken tot graslanden, met al de overgangen ertussen. Daarenboven zijn in De Vennen de droge zandgronden niet ver verwijderd van de zompige gronden langs de Grote Nete. Het zijn vooral al die overgangstypes die voor heel wat fauna- en flora-elementen van levensL31ang zijn. De diversiteit aan soorten en levensgemeenschappen wordt in hoge mate bepaald door de variatie aan milieus die in een gebied voorkomen. Hoe meer verscheidenheid aan milieuomstandigheden, hoe meer soorten er een voor hen geschikte plek kunnen vinden.
In De Vennen kunnen we nu al - en in de toekomst hopelijk nog meer - beschikken over een vrij grote oppervlakte, wat voor de evenwichten en ook voor de sterkte van de populaties van zeer groot belang is. Het is de bedoeling te zorgen voor een mozaïek van verschillende natuurdoeltypes met een zo hoog mogelijk kwaliteitsniveau; de ruggengraat van het beheer is daarbij gemengde begrazing van paarden en runderen.
Om de snel groeiende oppervlakte te beheren, doet Natuurpunt in De Vennen maximaal beroep op extensieve begrazing met runderen, paarden en (soms) schapen. Hiervoor worden totnogtoe uitsluitend dieren van plaatselijke landbouwers en 'liefhebbers' gebruikt.
Door de introductie van een beperkt aantal runderen of paarden in natuurterreinen trachten we in feite de toestand uit vroeger tijden te herstellen, toen grote grazers door hun graasgedrag een gevarieerd landschap met half-open karakter in stand hielden. Door de extensi_ve begrazing ontstaan allerlei variaties en gradiënten in de vegetatie, die een gunstige invloed hebben op de soortenrijkdom van de aanwezige fauna en flora. Perceelsgrenzen verdwijnen en houtkanten groeien uit tot kleine 'bossages' in het landschap.
De praktijkervaring toont aan dat graasbeheer vaak uitermate geschikt is om de vooropgestelde beheersdoelstellingen te realiseren.
Het opstarten van een begrazingsproject veronderstelt vooreerst het uitrasteren van een 'begrazingsblok', dit is een aaneengesloten terrein van meerdere hectaren dat langs de buitenomtrek voorzien wordt van een degelijke draadafsluiting. In deze draadafsluiting zullen doorgaans ook voetgangerspoorten en poorten voor voertuigen voorzien worden. De inrichting van een begrazingsblok is een zeer arbeidsintensieve en dure aangelegenheid. Het is echter een investering die rendeert: één maal voltooid, kan het natuurbeheer binnen het begrazingsblok worden toevertrouwd aan grote grazers (runderen of paarden) en wordt de rol van de mens herleid tot het toezicht op de dieren (o.a. diergeneeskundige verzorging, transport naar winterstallingen etc.).
Telkens wanneer in De Vennen een behoorlijke oppervlakte aaneensluitende percelen in eigendom is verworven, wordt een begrazingsproject opgestart.
Op de geïsoleerd liggende hooilandpercelen zal in principe een maaibeheer gevoerd worden tot ze kunnen aangehecht worden bij een groter begrazingsblok. Enkele botanisch zeer interessante percelen zullen echter blijvend gemaaid worden. In De Vennen zijn meerdere graslandtypes aanwezig, onder meer droog én vochtig hooiland. Dottergraslanden zijn nog zeer goed vertegenwoordigd. Het is de bedoeling om in de toekomst - via het beheer - naast deze dottergraslanden een oppervlakte nat heischraal grasland of blauwgrasland te verkrijgen.
De beboste percelen krijgen een beheer gericht op een evolutie naar een zo natuurlijk mogelijk loofbos.
De aangekochte vijvers - vaak 'moordkuilen' met betonnen of golfplaten-oevers - worden omgevormd tot plassen met schuin aflopende 'natuurlijke' oevers waarop zich vervolgens een oevervegetatie kan ontwikkelen. De bijhorende illegale weekendverblijven en andere bouwsels worden ontmanteld.
Sinds 2004 wordt maandelijks de grondwaterstand opgemeten via 15 peilputten en 2 meetlatten. De verkregen gegevens zijn van groot belang voor het uitstippelen van het toekomstig beheer.
Voor de lange termijn kiezen we in De Vennen duidelijk voor proces beheer. Dit bestaat uit het begeleiden of stimuleren van natuurlijke processen. In het geval van De Vennen zijn dit zowel abiotische processen (vooral de werking van water) als biotische processen (begrazing door grote herbivoren). Via gemengde begrazing met paarden en runderen streven we naar meer differentiatie en willen we een reeks van ecotopen naast en door elkaar creëren. Het graasbeheer zal de verruiging en bosopslag in de hand houden en zorgen voor een half-open landschap.
De patronen in landschap en vegetatie ontstaan op een spontane wijze en zijn voortdurend aan veranderingen onderhevig. Het voornaamste criterium is duurzaamheid. Het beheer is gericht op het ontstaan en de verdere ontwikkeling van natuurlijke landschappen en ongeperceleerde halfnatuurlijke landschappen. We kiezen dus bewust NIET voor de andere optie: patroon beheer in het geperceleerde halfnatuurlijke landschap.
Mechanisch beheer zal hier en daar noodzakelijk blijven en soms versterkt worden op ecotoopniveau, waarbij bepaalde successiepatronen door actief beheer (kleinschalige begrazing, maaien, kappen, plaggen, enz.) worden gefixeerd. Zo krijgen we half-natuurlijke entiteiten in een natuurlijk landschap.
Eén van de aandachtspunten bij het beheer van De Vennen is het vergroten van de toegankelijkheid van het gebied. Het gebied wordt doorsneden door twee verharde wegen de Niewendijk en de Peer Luytendijk - die relatief verkeersarm zijn omdat ze hoofdzakelijk gebruikt worden door plaatselijk verkeer. Voor het overige lopen in het gebied talrijke karresporen en paden, doch de meeste van die niet-verharde wegen zijn doodlopend, onder meer omdat in het verleden heel wat bruggen over de voornaamste waterlopen zijn ingestor en nadien niet vervangen.
fBij het uitstippelen van het toekomstig beheer zal het beheerteam van Natuurpunt erover waken dat in het gebied voldoende wandel- en fietsmogelijkheden voorzien worden. Er word gewerkt aan permanent toegankelijke wandelpaden en een fietsparcours langs de rand. Or die manier wil Natuurpunt haar motto 'Natuur voor Iedereen' ook in De Vennen in de praktijl brengen.
Rond de jaren 1950-60 raakte de bewatering en dus ook de afwatering in onbruik. Kunstmest moest het vruchtbaar makende water vervangen. Men ging ook meer en meer machines gebruiken, maar daarvoor was een vaste ondergrond noodzakelijk. Grote delen van het Griesbroek bleken ongeschikt voor de moderne intensieve landbouw. Het gevolg was dat de beemden onbewerkt, achterbleven. Op sommige percelen werden canadapopulieren aangeplant en hier en daar werden visvijvers gegraven. Het merendeel van de overige gronden werd al vlug moerassig en raakte begroeid met riet, els en wilg. Zo kregen ze het natuurlijk uitzicht dat ze nu nog hebben.
Het natuurgebied is op te delen in twee hoofdtypen, in het veld goed zichtbaar in de vegetatie en het grondgebruik, het gevolg van de verschillen in bodemkundige en hydrologische situaties. De centrale driehoek tussen de Grote Nete, de Heiloopen het kanaal ligt op natte veenbodems en kende een historisch gebruik van vloed beemden. Na het wegvallen van het vloedbeemdenbeheer trad de verbossing opnieuw in.
Het tweede hoofdtype, het kleinschalige cultuurlandschap met een mozaïek van weiden, akkers en bossen is verdeeld over het noorden van het gebied boven de Grote Nete enerzijds en het zuiden onder de Heiloop anderzijds.
Het merendeel van de bossen in het moerassige gebied zijn typische broekbossen van zwarte els met een onderbegroeiing van o.a. gele lis, bitterzoet, blauw glidkruid, wolfspoot en holpijp. Op de drogere stukken treedt er spontane verjonging op van zomereik en lijsterbes. Op verschillende percelen werden canadapopulieren aangeplant. In de natste percelen is dit mislukt en sterven ze af, elders houden de populieren stand, mede door de talrijke ontwateringsgrachten. Een vroeger successiestadium van het elzenbroek is aanwezig onder de vorm van rietland, dat zich her en der tussen de elzenbroeken bevindt. Dominante soorten hier zijn riet, rietgras, liesgras en grote lisdodde, maar ook de meer zeldzame holpijp komt in grote hoeveelheden voor. Waar de rietlanden niet worden beheerd, treedt verbossing op met elzen- en wilgensoorten.
In de ganse strook tussen de Heiloop en de Grote Nete, vooral langs de zijde van het kanaal, en ook in het noordwesten van het gebied liggen een aantal vijvers, meestal met bijhorend weekendhuisje. Sommige vijvers dienden in het verleden als kweekvijver, de meeste kenden echter een recreatief gebruik als visvijver. De vegetatie in die vijvers is zwak ontwikkeld en ook een oevervegetatie ontbreekt in de meeste gevallen omdat het om steile, verharde oevers gaat. In de Grote Nete en de Heiloop is de water- en oevervegetatie goed ontwikkeld.
Ten noorden van de Grote Nete en ten zuiden van de Heiloop bevinden zich een aantal botanisch zeer waardevolle hooilanden. Verschillende ervan bevatten een waaier aan soorten van het dotterverbond. Echte koekoeksbloem, moerasrolklaver, moeraswalstro, pinksterbloem en egelboterbloer zijn er geen zelmzaamheden. De gordel in het uiterste noorden bestaat uit drogere gronden waar momenteel bestanden van grove den overheersen. Plaatselijk komen hier enkele landduinen voor met hier en daar heiderelicten.
Een aantal percelen werd reeds vrij systematisch door de plantenwerkgroep onderzocht. Geïnteresseerden kunnen hiervan inzage krijgen. Wat verdere inventarisatie betreft staat er echter nog heel wat te doen. De fauna van het Griesbroek werd in het verleden ook nog niet echt systematisch onderzocht. Uitgebreide gegevens zijn er voorlopig enkel van de vogels. Hierbij zeker te vermelden als broedvogel: ijsvogel, roodborsttapuit, kleine karekiet, sprinkhaanzanger, bosrietzanger, blauwborst en waterral.
Bij de amfibieën en reptielen werden enkele algemene soorten waargenomen, zoals groene en bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, alpenwatersalamander en zeker niet te vergeten de stierkikker of Amerikaanse brulkikker. Veertien waargenomen vissoorten wijzen op een behoorlijke waterkwaliteit: beekprik, kleine modderkruiper, blankvoorn, aal, bermpje, kopvoorn, zonnebaars en andere. Voor de waterjuffers en de libellen noemen we zeker de weidebeekjuffer, koraaljuffer, Kempense heidelibel, glazenmakers en de bloedrode heidelibel. Onder de dagvlinders behoeft zeker één soort een bijzondere vermelding: de veldparelmoervlinder.
Door regelmatige overstromingen van de Grote Nete zijn grote delen van het moerasgebied gedurende langere periodes ontoegankelijk. Door de (vergeefse) pogingen om het gebied tussen Grote Nete en Heiloop te ontwateren is het terrein lokaal doorsneden met greppels en loopjes. Toch kan men er een mooie wandeling maken. Om een overzicht te krijgen van het ganse gebied is een wandelpad van ongeveer 4,5 km uitgestippeld.
Vertrekkend aan de Straalmolen loop je eerst over een stuk verharde weg met zicht op een cultuurlandschap met kleinschalige landbouw. Je steekt de Heiloop over en zonder je voeten nat te maken kan je het moerassige gebied, de genoemde driehoek doorsteken. Daarbij loop je langs de enige vijver die we in eigendom hebben en die al gedeeltelijk een natuurlijk uitzicht heeft gekregen. Vervolgens kan je genieten langs de boorden van de prachtig meanderende Grote Nete. Je steekt de rivier over en wandelt dan verder door het noordelijk cultuurlandschap: afwisselend naaldbos, weiden, broekbos en enkele visvijvers. Een stukje verharde weg brengt je terug aan de Straalmolen.
De Keiheuvel is een typisch Kempisch stuifzandgebied. De oost-west georiënteerde duinenrug van de Keiheuvel vormt de scheiding tussen het stroombekken van de Molse Nete in het noorden en dat van de Grote Nete in het zuiden.
Grote delen van de Keiheuvel zijn in het verleden beplant met monotone naaldbossen of worden intensief gebruikt voor recreatie. Alleen in het oostelijk deel van het gebied, in het verlengde van het vliegveld, zijn de typische stuifduinen nog relatief intact.
Dit terrein, 34 ha groot, is eigendom van de gemeente Balen en wordt als natuurgebied beheerd door Natuurpunt.
In het natuurgebied broeden boomleeuweriken, een vogelsoort die overal in Vlaanderen sterk bedreigd is. Al vroeg in het voorjaar keert de boomleeuwerik uit zijn overwingeringsgebieden terug om op de Keiheuvel zijn prachtige zang ten beste te geven. Naast de boomleeuwerik heeft ook de sperwer hier zijn vaste stek. In voor- en najaar is de Keiheuvel een uitverkoren rustplaats voor tapuiten op trek.
De Keiheuvel staat ook bekend om zijn rijkom aan mossen, kortsmossen en zwammen. Deze pareltjes tref je vooral aan in de heidevegetaties die her en der verspreid liggen tussen de bossen en duinen. Daarnaast herbergt het natuurgebied verschillende soorten zeldzame insecten.
Het natuurbeheer op de Keiheuvel is erop gericht de stuifduinen en heide met hun levensgemeenschappen te behouden. Om dat te bereiken, moet de verbossing door opslag van 'vliegdennen' worden tegengegaan. Selectief bomen kappen maakt hier dus deel uit van een goed natuurbeheer.
Het natuurgebied is vrij toegankelijk voor individuele wandelaars, fietsers en ruiters. Honden zijn welkom als ze aan de leiband blijven. Voor doortochten van grote sportevenementen dient vooraf toestemming gevraagd. Gemotoriseerd verkeer en wildcross zijn op politiebevel verboden.